We vierden Pasen, feest van de Opstanding, van een nieuw begin. En alles in de natuur om ons heen viert mee. Het jonge groen barst overal uit haar knoppen, pinksterbloemen en fluitekruid schieten op. Het lijkt wel of alles en iedereen met hernieuwde energie ontwaakt.
Tegelijkertijd pakken zich steeds donkerder wolken samen boven onze wereld. In de Advents- en Kersttijd lazen we nog de hoopvolle profetieën van Jesaja en Micha, van zwaarden die tot ploegscharen worden omgesmeed, en van mensen die de oorlog niet meer leren. Maar het tegendeel lijkt waar te worden. In heel Europa worden in versneld tempo meer en grotere wapens gefabriceerd, jonge mensen worden opgeroepen om in militaire dienst te gaan, om de oorlog juist wél te leren. Tachtig jaar vrijheid mochten we beleven, maar alles kan zomaar weer anders zijn.
En ook verder van huis zien we de boel escaleren. In Oekraïne vechten ze letterlijk voor hun bestaansrecht. In Gaza staat geen steen meer op de andere, op de WestBank worden Palestijnen in hun bestaan steeds meer bedreigd. Mijn hart huilt als ik de verwoesting en de vernedering zie. Maar mijn hart huilt ook voor Israël. Immers: al enkele generaties lang wordt het volk opgevoed – doordrenkt – met haat- en wraakgevoelens. Met zoveel haat in je ziel kun je volgens mij niet gelukkig zijn.
Ja, ik huil. En voel me machteloos. Want wat kun je als eenvoudig mensje in Nederland nu helemaal doen. Ja, ik schreef – alweer enkele jaren geleden – een brief aan Netanjahu en de toenmalige Premier van Israël. Die laatste had nog het fatsoen om me te (laten) berichten dat de brief was aangekomen. Van Netanjahu taal noch teken. En inmiddels is de situatie nóg nijpender geworden. Om moedeloos van te worden.
En dan lees ik opeens een gedicht van de Poolse dichter Adam Zagajewski, vertaald door Gerard Rasch. De dichter is gedurende langere tijd van zijn leven politieke vluchteling geweest. Het gedicht werd gepubliceerd in De New Yorker, vlak na de aanslagen van 11 september en het Amerikaanse – gewelddadige – antwoord daarop. En sindsdien is op wereldniveau het geweld in allerlei vormen alleen maar toegenomen.
Maar ook in het leven van alledag doen we elkaar geweld aan. Denk aan iemand die een elleboog uitdeelt in de tram, of iemand die om zijn huidskleur uitgescholden wordt.
De dichter is een realist. Hij zegt niet: bezing deze prachtige wereld, nee, bezing deze verminkte wereld. Probeer het elke keer weer. Zagajewski herinnert met zijn levensbevestigende gedicht ons eraan, ontzag te houden voor deze wereld, voor dit leven.
Want wie liefde voelt, zal verantwoordelijkheid nemen. En zonder verantwoordelijkheid te nemen, verandert er niets.
Als ik somber ben of verdrietig, als het kleine of het grote nieuws me even te veel wordt, pak ik dit gedicht erbij. Het is een oproep de schoonheid te zien, het allemaal als één te zien.
Probeer de verminkte wereld te bezingen. Denk weer aan de lange junidagen, aan de rozijnen, de druppels van rosé. Aan de distels die de verlaten erven van ontheemden stelselmatig overwoekerden.
Je moet de verminkte wereld bezingen. Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien; een ervan had een lange reis voor de boeg, een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen, beulen gehoord die een lied van vreugde zongen. Je moet de verminkte wereld bezingen.
Denk aan de momenten waarop jullie samen in de witte kamer waren en de vitrage bewoog. Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.
In de herfst verzamelde je eikels in het park en de bladeren wervelden boven de littekens van de aarde.
Bezing de verminkte wereld en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren, en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt en steeds terugkomt.
Laten we ons toch maar verheugen in de nieuwe lente, en de hoopvolle verhalen van de profeten. Laten we er toch maar in blijven geloven, dat de zachte krachten het zullen winnen in het eind, dat het licht sterker is dan het duister. Want zelfs als er maar één enkel kaarsvlammetje brandt, is er van duister geen sprake meer.
Ook ónze zachte krachten dóén er toe.
Wietske Tinga
Geschreven door: ds. Wietske Tinga