Onlangs tijdens een gesprek bij de koffie na een kerkdienst merkte iemand op: ‘In de Paasnacht-viering wordt het al Pasen. Eigenlijk is de viering op de Paasmorgen dan overbodig.’ Dat zou natuurlijk niet zo gek zijn: een vrije zondag na een late paasnacht-viering.
Maar zo gemakkelijk gaat het volgens mij toch niet. Het wonder mag dan wel ’s nachts al gebeurd zijn, het is daarmee nog lang niet doorgedrongen en verwerkt.
Ook de leerlingen van Jezus hadden tijd nodig – héél veel tijd – om het tot zich te laten doordringen. Met name in het Johannesevangelie wordt dat heel subtiel aangeduid. Bij Johannes blijft het een hele poos nacht. Maria van Magdala gaat vóór zonsopgang naar het graf, ze is nog bezig met de dood in plaats van het leven (Joh. 20:1)
Pas in Joh. 21:4 – als Jezus voor de derde keer (!) aan zijn leerlingen verschijnt, wordt het ochtend en breekt er iets van bevrijding en nieuw leven door, al is het nog steeds aarzelend.
In het oratorium ‘Als de Graankorrel’ zingt Maria van Magdala:
Wat dreef mij naar het graf, wat dacht ik daar te vinden?
De dood brengt anders niet dan leegte en verdriet.
Met kruiden van de dood, welriekend, zacht en geurig,
als balsem voor mijn ziel, ging ik, om hem te zien.
O, hij was zo dichtbij! Ik kon hem bijna raken!
Als ik mijn hand uitstak, zou hij verdwenen zijn.
Ik hoor nog steeds zijn stem, een klank die niet kan sterven.
Hij leeft, hij leeft, totdat ik hem vergeten ben.
Een dode en niet dood, ik heb hem toch gesproken!
Een dode die je ziet, is geen herinnering.
Alsof ik wartaal spreek, zo word ik aangekeken,
maar wat ik zeg is waar, ik heb het zelf doorleefd.
Ik ben niet meer alleen, hij heeft mij aangekeken!
Ik draag dit ogenblik voor altijd met mij mee.
Geheimen diep en groot, te groot voor kleine mensen.
Geheimen ook voor ons, al zijn wij deelgenoot.
En het Oratorium besluit met:
Opnieuw geboren, opgestaan, voorgoed veranderd, opgericht, door angst en sterven heengegaan, zien wij opnieuw het leven aan, geschenk dat groot en kostbaar is.
Dat ook óns een licht op mag gaan en het Licht van Pasen ons blijvend mag verlichten.
Geschreven door: Wietske Tinga